0341 - 45 15 20 info@ifsnederland.com

DNA profilering & concultancy

Independent Forensic Services DNA profilering & concultancy

DNA profilering & concultancy

Posted By IFS

Er bestaan meerdere technieken voor DNA-typering. Voor forensische toepassingen zijn verschillende, zogenaamde kits verkrijgbaar. Daarmee worden tegelijkertijd meerdere DNA-kenmerken bepaald. Deze kenmerken kunnen zich zowel op de autosomale chromosomen als op de geslachtschromosomen bevinden.

De zeldzaamheid van één DNA-kenmerk is op zichzelf beperkt. Een kenmerk op een bepaald locus kan bijvoorbeeld bij 10% van de individuen binnen een bepaalde bevolkingsgroep worden aangetroffen. Indien alleen dit kenmerk aanwezig is, dan geeft dat op zichzelf niet veel steun aan de hypothese dat het celmateriaal in een bemonstering van een bepaald individu afkomstig is. Als men echter de kenmerken van drie loci zou bepalen, die allen bij 10% van de individuen binnen een bepaalde bevolkinggroep worden aangetroffen, dan wordt de frequentie van het voorkomen van de kenmerken verlaagd: 0,1 x 0,1 x 0,1 = 0.001= 0.1%. De kans dat een willekeurig individu deze kenmerken bezit is dan 1 op 1000. Indien een DNA-profiel wordt verkregen van 15 kenmerken dan wordt de frequentie zelfs 1 x 10-15 (= 1 op 1.000.000.000.000.000). In de praktijk worden op de berekening nog een aantal correctiefactoren toegepast om te corrigeren voor een aantal statistische onzekerheden. Deze correctiefactoren zorgen ervoor dat de bewijswaarde niet ten onrechte te sterk wordt uitgedrukt.

profiel

Indien een DNA-profiel van een bemonstering overeenkomt met het DNA-profiel dat wordt verkregen van een referentiemonster van een verdachte, dan is er zeer veel steun voor de hypothese dat het onderzochte celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van de verdachte. Hierbij moet worden opgemerkt dat de kans op het aantreffen van overeenkomende DNA-kenmerken aanzienlijk toeneemt indien er familieverbanden bestaan tussen de mogelijke donoren van het celmateriaal. Zo zijn bij de biologische vader en moeder minimaal de helft van de DNA-kenmerken gelijk aan die van hun kind. Tussen ééneiige tweelingen kan op grond van DNA-profilering geen onderscheid worden gemaakt omdat zij exact dezelfde DNA-kenmerken bezitten.

Het is niet altijd mogelijk om met behulp van de verkregen DNA-kenmerken exact uit te rekenen hoe groot de kans is dat een willekeurig individu over dezelfde DNA-kenmerken beschikt als die in een bemonstering. Dit kan het geval zijn wanneer er sprake is van een gecompliceerd partieel DNA-mengprofiel.

Bij het toenemen van het aantal overeenkomende DNA-kenmerken dat wordt verkregen uit celmateriaal van een bemonstering en dat van een referentiemonster van een bepaald individu, wordt ook de waarschijnlijkheid groter dat het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van dit individu.