0341 - 45 15 20 info@ifsnederland.com

De Weerter Sluismoord

De Weerter Sluismoord

IFS Artikelen

De Weerter Sluismoord

Posted By IFS

Moord of doodslag?
Auteur: Thea van der Geest

Op 13 september 2002 sloegen de ouders van Barbra de Jong alarm en deden aangifte bij de politie van vermissing. Voor een misdaad werd gevreesd. Drie dagen later vond een schipper haar in het water van een sluis van de Zuid-Willemsvaart bij Weert. Dit was het trieste begin van een aaneenschakeling van onderzoeken waarbij bijna alle bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn toegepast, volgens Paul van Hilten de zaaksofficier bij het Roermondse parket.

Advocaat-generaal Charles Revis die de zaak in hoger beroep behandelde kan dat beamen. ‘Voor het eerst heb ik gebruikt gemaakt van 148b Wetboek van Strafvordering. Daarin staat beschreven dat een advocaat-generaal een verzoek kan richten tot de officier om de nodige bijstand te verlenen bij opsporingsonderzoeken in zaken, die in hoger beroep bij het hof aanhangig zijn.’ Waar moeten we de dader zoeken? Wat voor leven leidde het slachtoffer? Uit welk milieu kwam ze? Wat voor kennissenkring had ze opgebouwd? Officier Paul van Hilten werd gevraagd de zaak te leiden. Samen met de teamleider van politie Paul Baens trachtten ze antwoord te geven op al deze vragen. Uit onderzoeksinformatie verkregen door een buurtonderzoek, gesprekken met de ouders en partner van het slachtoffer, een sporenonderzoek en verklaringen van vrienden kwam al gauw twee namen van verdachten bovendrijven: Barbra’s partner en een gezamenlijke vriend. De partner was geen aangedaan man, vond de officier. ‘Dat was raar. We hebben zijn alibi helemaal nagetrokken. Hij verbleef op de avond van de verdwijning van Barbra in een Valkenburgs casino. Er zijn beelden van bewakingscamera’s bekeken waarop we zijn gangen nauwkeurig konden volgen. Het bleek een ijzersterk alibi. Onze aandacht richtte zich tegelijkertijd op de gezamenlijke vriend. Deze had een minder sluitend verhaal. Zijn vrouw zei dat hij thuis was, maar volgens een andere getuige was hij bij zijn vader. Hij had aangifte gedaan van diefstal van zijn dure Mercedes daags nadat de verdwijning van Barbra de Jong bekend werd, wat we – op zijn zachts gezegd – verdacht vonden. Nadat duikers het mobieltje van het slachtoffer uit de Zuid-Willemsvaart hadden gevist bleek dat de gezamenlijke vriend heel veel telefoon- en sms-contact had gehad met het slachtoffer. Uit technisch onderzoek van de zendafstand van de mobieltjes en de telefoonpalen kon men concluderen dat ze elkaar veelvuldig ontmoetten.’ ‘We hielden het onderzoek breed’, verdedigt Van Hilten zich tegen aantijgingen van de advocaten dat er sprake was van tunnelvisie. ‘Onzin.’ De politie werkte hard om iedere aanwijzing uit te rechercheren. Als onderzoeksmiddel werd onder andere observaties, telefoontaps, scan-gegevens en opsporingsprogramma’s op televisie ingezet. Onderdelen van de gestolen Mercedes van de verdachte werden teruggevonden op een sloperij in België. Via rechtshulpverzoeken kon het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) DNA-onderzoek verrichten naar een minuscuul bloedspoor op het autostuur. Er waren messen gevonden op het bedrijfsterrein van verdachte. ‘Maar er leek wel een knip in de film te zitten’, zegt Van Hilten geïrriteerd. ‘We wisten slechts de plaats te markeren waar het slachtoffer in het water was gedumpt, maar de plaats van het fatale moment, van de levensberoving konden we niet achterhalen.’ ‘Het NFI kon zelfs gewiste gesprekken terughalen van het uit het kanaal gehaalde mobieltje en vaststellen dat de DNA-profielen overeenkwamen met het slachtoffer en de dader, maar de exacte plaats van het delict bleef onbekend.’ Op 29 juli 2003 vond de rechtbank dat een inhoudelijke behandelding van de zaak moest plaatsvinden, ondanks een aantal onderzoeken die nog niet waren afgerond. Paul van Hilten werd voor het blok gezet. ‘Ik móest requireren.’ Het motief was duidelijk. Een klassiek drama. Verdachte was verliefd op Barbra de Jong en wilde niet dat zij na de scheiding van haar levenspartner er met een ander vandoor zou gaan. Er waren sporen, aanwijzingen, getuigenverklaringen en mogelijke moordwapens gevonden, maar geen plaats delict. Toch vond Van Hilten moord bewezen; hij eistte achttien jaar. Het was aannemelijk volgens hem, dat Barbra de Jong om het leven was gebracht in de auto van verdachte. Met tweeëndertig messteken had hij haar van het leven beroofd. Het wapen had hij met voorbedachte rade meegenomen. Daar gingen de rechters niet in mee. De messteken duidden volgens hen op impulsief gedrag. Zij veroordeelden de verdachte voor doodslag tot twaalf jaar gevangenisstraf. ‘We wisten’, aldus advocaat-generaal Charles Revis, ‘dat er sowieso hoger beroep zou worden ingesteld. Als de verdachte was vrijgesproken, had het OM hoger beroep aangetekend en bij veroordeling zou de verdachte in appèl gaan. Daar hadden we rekening mee gehouden. Ik was door Paul van Hilten vroegtijdig benaderd om tijd vrij te maken voor deze zaak en werd uitgenodigd, wat niet gebruikelijk is, om aanwezig te zijn bij de evaluatie van de politie na de uitspraak.’ Revis en een juridisch medewerker Piet Looijaard van het ressortsparket Den Bosch waren bij de nabespreking aanwezig. ‘Dat scheelde een hoop leesinspanning’, aldus Revis. ‘Ik kwam in contact met de teamleider van politie Paul Baens en met de rechter-commissaris waardoor de nodige contacten soepel konden verlopen.’
Zoals beschreven staat in 148b Wetboek van Strafvordering verleende officier Van Hilten op verzoek van advocaat-generaal Revis de
nodige bijstand in nadere opsporingsonderzoeken. ‘Heel bijzonder’, aldus Revis. ‘We hebben dat heel formeel aangepakt. Mijn verzoeken stelde ik schriftelijk op en het antwoord kreeg ik schriftelijk terug. We hielden het heel open en transparant. De rapportages werden bijgevoegd in het dossier. Ook de verdediging bleef zo op de hoogte. Voor de zitting in eerste aanleg werd de mogelijkheid van een politie-infiltratie-traject bezien. Ook in de appèlfase is dit overwogen, maar er werd uiteindelijk van afgezien. We wachtten nog op meer informatie uit België. Ik wilde dat er nog meer mensen werden gehoord en dat er meer expertise werd gezocht voor aanvullende technische gegevens.’ Men benaderde Independent Forensic Services (IFS) om de wondpatronen te bestuderen en antwoorden te zoeken op hypothetisch gestelde vragen, zoals: Is het slachtoffer in een auto omgebracht? Dit in
tegenstelling tot het NFI dat nooit aan de hand van gegevens uit het proces-dossier onderzoek verricht. ‘De verdediging was faliekant tegen deze onderzoeksmethode, maar wij kwamen er toch weer verder mee’, meent Charles Revis. Aan de hand van foto’s en het sectieverslag kon het bureau vaststellen dat de dader de verwondingen met zijn linkerhand had aangebracht in een kleine ruimte. Daarnaast onderzochten ze ook een DNA-spoor dat in het jasje van het slachtoffer was aangetroffen. Beide onderzoeken wezen naar de verdachte, maar de plaats van de moord bleef opnieuw onbekend.’ ‘Gelukkig’, zegt Charles Revis, ‘had Paul tijd voor de zaak. Hij kon volop voldoen aan al mijn verzoeken. Tegenover de vier man sterke verdediging stonden nu tenminste twee OM-ers.
Van Hilten zat namelijk tijdens het hoger beroep in een safe house, omdat hij (buiten deze zaak om) ernstig werd bedreigd. ‘Ze reden me in een pantserwagen met zwaailicht met grote snelheid over de vluchtstrook naar het IFS.’ Revis: ‘De partner van Barbra de Jong wekte de indruk dat hij de verdachte dekte. Zij bleven bevriend. Hij deed geen enkele poging bij te dragen tot een oplossing en leek meer geïnteresseerd in de financiële afwikkeling. In eerste aanleg had hij als slachtoffer in de rechtszaal mogen zitten, maar in appèl was zijn rol duidelijk. Hij was geen slachtoffer en werd alleen toegelaten op de publieke tribune. Daarnaast maakte de verdachte gebruik van het zwijgrecht. Hij zei niets. Geen spijtbetuiging. Geen verklaring over de toedracht. Revis weet dat de ouders van het slachtoffer het daar heel moeilijk mee hadden. Begeleiding was heel belangrijk. Zowel de officier als de advocaat-generaal kenden de familie goed. ‘We gingen daar heel zorgvuldig mee om’, aldus beide heren. ‘We leefden ons met al die hi-tech onderzoeksmethodes vakmatig volledig uit, maar het was vreselijk voor de familie. We zijn niet geschoold in hulpverlening, maar we probeerden ze toch zoveel mogelijk te informeren.’

Moord of doodslag was de vraag die Revis zichzelf stelde in zijn requisitoir. Hij legde de rechters voor dat een verliefde en jaloerse
verdachte zich met een mes naar zijn grote liefde begaf en wist dat een concurrent het duel om Babra’s liefde van hem had gewonnen. Hiermee, aldus Revis, stelde hij zich willens en wetens bloot aan de aanmerkelijke kans dat hij in woede zou ontsteken met als gevolg dat hij Barbra doodstak. Op het moment dat hij het mes meenam en wist dat hij woedend kon worden was er sprake van een moment van kalm beraad en rustig overleg. Revis achtte moord bewezen en eiste zestien jaar gevangenisstraf. Het hof oordeelde dat er sprake was van doodslag en veroordeelde verdachte tot twaalf jaar.

Meer info: http://www.om.nl/over_het_om/de_officier_van_justitie/de_zaak/21042/#content

Written by IFS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.